
Hilmija Draganovic: 'Ik moest mijn demonen bestrijden.'
De Bosnische oorlog van de jaren negentig heeft tot een ware diaspora geleid. Naar schatting een miljoen Bosniërs, voornamelijk Moslims, leven sinds de oorlog van de jaren negentig in het buitenland: in Nederland ongeveer 28.000, in Duitsland 157.000. Zweden was een van de meest genereuze toevluchtsoorden voor Bosnische vluchtelingen: het land telt inmiddels – na gezinshereniging – naar schatting 100.000 Bosniërs. Hilmija Draganovic* is een van hen. De vorige – en tevens enige – keer dat ik hem had gesproken was in Travnik, maart 1994. Zijn vrouw Asima en zoontjes Mirza en Dino waren toen al naar Zweden ontkomen. Daar had ik ze opgezocht en ze hadden me brieven en foto’s meegegeven voor hun man en vader, van wie ze door de oorlogstoestand al maanden niets meer hadden gehoord. „Nooit wens ik nog een dossiernummer te zijn”, schreef Asima hem. „Een Bosnische die tevreden moet zijn met woorden van troost en huichelachtige vriendelijkheid. In mijn eenzaamheid ben ik rijper geworden.” Zijn kinderen waren trots op hun nieuwe videospelletjes.
Hilmija is de intellectueel van de familie. Tot aan het begin van de oorlog had hij als ingenieur in de Omarska-mijnen gewerkt en toen hij tijdens de etnische schoonmaak van het gebied werd ontslagen besloot hij ‘om ons volk en land te verdedigen’ vrijwillig dienst te nemen in het Bosnische regeringsleger. Eerst vocht hij aan het front, maar toen ik hem ontmoette had hij een hoge bestuursfunctie en ging hij gekleed in een stijlvol pak.
Ik zoek hem op in Uddevalla, de Zweedse kuststad waar zijn ouders, zuster, vrouw en kinderen als vluchtelingen waren opgevangen. Hilmija (50) voegde zich in de zomer van 1994 om medische redenen bij hen. Hij moest een ooroperatie ondergaan nadat hij bij een explosie gewond was geraakt, waarbij hij ook granaatsplinters in zijn ogen had gekregen. „Ik kwam aan op de dag van de WK-finale Brazilië-Italië”, vertelt hij. “Enkele uren voor het begin van de wedstrijd. Dat had ik mijn zonen beloofd.”
Als frontsoldaat vocht hij in mijnenvelden en loopgraven, later was hij getuige van granaataanvallen op het centrum van de steden Travnik en Zenica, waarbij tientallen doden en gewonden vielen.
„Ik heb nergens spijt van”, blikt hij terug. “Hoogstens dat ik niet tot het einde van de oorlog in Bosnië ben gebleven. Ik verafschuw de twee delen waarin het land nu is verdeeld, want ik strijd nog altijd voor één – multi-etnische – staat.” In Uddevalla richtte hij een Bosnische vereniging op, waarvan Asima later voorzitter werd. „Dat was mijn manier om mijn demonen te bestrijden.”
Hij begon onmiddellijk na zijn aankomst Zweeds te leren, werd trainer van de plaatselijke handbalvereniging en vond een baan op de productielijn van Saab. In de jaren daarna klom hij op tot kwaliteitsmanager bij verschillende fabrieken. Het resultaat van zijn inspanningen is het smaakvol ingerichte, vrijstaande huis waarin hij me ontvangt. „Mijn vader was gefrustreerd toen hij in Zweden aankwam”, zegt zoon Dino. „Hij wilde geen emigrant zijn, iemand op wie anderen neerkeken. Daarom zijn we ook zodra dat kon naar een andere buurt verhuisd. Mijn moeder dacht er net zo over. Ze was de tweede Bosnische immigrante in Uddevalla die werk vond: als laborante en research-ingenieur. Ze zorgde er altijd voor dat ik goed gekleed was, op school noemden ze mij niet voor niets ‘de rijke immigrant’.”
De eerste jaren woonden Hilmija, Asima en de kinderen in een flatgebouw tegenover Hilmija’s ouders. Zijn moeder was een rokende hartpatiënte, zijn vader een gebroken man. Rond de jaarwisseling van 2002 ging het steeds slechter met de toen 69-jarige Omer Draganovic. „Hij kon niet met Zweden spreken, niet met doktoren”, zegt Hilmija. „Hij was voor alles bang, zelfs voor de deurbel.” Nog geen maand later belde Hilmija’s moeder dat haar man zoals iedere dag een ommetje was gaan maken om de vogels te voeren, maar niet was teruggekeerd.
Hilmija en Asima vonden hem op de vloer van de zolder van het flatgebouw. Hij had zich opgehangen met een elektriciteitssnoer dat uiteindelijk had losgelaten. Van tevoren had hij zijn ring afgedaan en zijn pet netjes neergelegd. Op een stukje karton had hij in een mooi, regelmatig schoonschrift zijn afscheidszin geschreven: „Mijn geliefden, mijn ziekte was sterker dan ik.”
Maar de rampspoed voor Hilmija was nog niet voorbij. Een jaar later overleed Asima op 43-jarige leeftijd aan darmkanker. Drie weken later stierf zijn moeder, die na de dood van haar man was teruggekeerd naar Bosnië.
„Ik dacht altijd dat onze oorlogservaringen ons sterker hadden gemaakt”, zegt zoon Dino. „Maar de zelfmoord van onze grootvader en de dood van onze moeder was te veel. Later stierf ook onze tante nog, op onze vader na waren daarmee alle familieleden dood met wie we hier heen waren gekomen.”
Nu vertrekt bovendien zijn vader uit Zweden. Hilmija heeft een baan aangenomen bij een Bosnisch conglomeraat dat onder meer leer produceert voor autostoelen. „Ik ga in Oostenrijk wonen, maar mijn werk vindt voor driekwart in Sarajevo plaats en voor het overige in Frankrijk en Oostenrijk.” Zijn Zweedse vrouw zal hem volgen zodra het huis in Uddevalla is verkocht. Dino en Mirza studeren beiden aan de universiteit en blijven achter in Zweden.
De broers waren respectievelijk negen en zes jaar oud bij het begin van de oorlog. „Ik herinner me hoe bang ik was toen de buurman dronken en bewapend met een geweer middenin de nacht op de deur bonsde en ons huis opeiste”, zegt Dino. “De volgende dag sloegen we op de vlucht. We zaten in een volgepakte truck die regelmatig stopte, dan moest er iemand uitstappen en zelfs ik wist dat er dan iemand werd geëxecuteerd.” Het laatste stuk moesten ze te voet afleggen. Hilmija droeg Dino op zijn rug door een mijnenveld. „We moesten elkaars voetstappen volgen”, zegt Mirza. „Je zag de mijnen liggen.”
Veel staan ze niet stil bij hun oorlogservaringen. „Ik heb eigenlijk nooit gedacht dat ik iets bijzonders mee heb gemaakt”, stelt Mirza. „Misschien ook wel omdat mijn ouders, en mijn Bosnische vrienden dezelfde ervaringen hebben.”
Mirza gaat trouwen met een Bosnische uit Gotenburg. Dino gaat meer met Zweden om dan zijn broer en heeft een Zweedse vriendin. Mirza beschouwt zich als Moslim, maar zegt ‘te neigen’ naar de atheïstische kant: „Ik geloof in wetenschap. Wat waar is, moet bewezen worden.” Dino noemt zich geen atheïst. „Na onze vlucht uit Bosnië kwamen we in Slovenië terecht. Daar gingen we elke dag kijken in een etalage waar een grote pandabeer lag. Maar mijn moeder had geen geld. Toen kwam het Rode Kruis dat speelgoed uitdeelde. Tussen al die andere kinderen kreeg ik die panda zo in mijn armen geworpen. Wie gelooft er dan niet in een hogere macht?”
*Voor de schuilnaam Berberovic die ik uit veiligheidsoverwegingen in mijn boek gebruikte is nu geen reden meer.